Polariserend en schaamteloos wij/zij

‘Onderscheid islam en politiek islamisme is niet legitiem’

Is het mogelijk kritiek op islam en islamisering op een intelligente manier te formuleren?  Zeer zeker.  In De Volkskrant verscheen de volgende opinietekst van een student, Timon Dias.  Hij slaagt erin correct aan te geven dat er eigenlijk geen verschil is tussen ‘islam’ en ‘islamisme’, maar wijst tegelijk op een deel van de werkelijkheid: moslims die het intolerante deel van hun religie links laten liggen.  Met dank aan de emailbrief ‘iskander’ van www.politiek.net.

‘Bij het onderscheid tussen islam en islamisme kan men kritiek leveren op het islamisme, zonder kritiek te hebben op de islam an sich. Op deze manier wordt vermeden dat een gehele religie bekritiseerd wordt. Deze nobelheid impliceert echter niet de legitimiteit van het onderscheid. Dat betoogt student psychologie en islamologie Timon Dias.

Het doel van het bedrijven van wetenschap is het zo correct mogelijk kunnen duiden van de realiteit. In maatschappelijke context ziet de wetenschap het veelal als taak te zorgen dat gewichtige discussies in de juiste termen en formuleringen worden gevoerd. Dit geldt ook voor het islamdebat dat al ruim een decennium in volle gang is. Het is echter deze wetenschap, met name de islamologie, die het islamdebat vanaf het begin heeft voorzien van een misleidend en simpelweg foutief paradigma. Het betreft hier het onderscheid tussen islam en politieke islam, ook wel islamisme.

In het licht van de islamitische opleving die zich voltrekt in de nasleep van de Arabische revoluties, verdient het aanbeveling dit paradigma kritisch te beschouwen.

Het onderscheid tussen islam en politieke islam is wijd verbreid. In zowel academische als politieke kringen gebruikt men, op de PVV na, de term politieke islam om islamitisch activisme te duiden. De term ‘islamisme’ is echter een westerse vinding. Door ‘isme’ achter islam te zetten geeft men aan dat het bij islamisme om een ideologie gaat, net als nationaal socialisme of communisme.

‘Islamisten’ kennen geen onderscheid tussen islam en islamisme. Zij noemen zichzelf moslim en hun ideologie islam. Dit onderscheid kan zelfs als beledigend worden opgevat. Zo stelde de huidige islamitische premier van Turkije, Recep Tayyip Erdogan in reactie op de westerse beschrijving van zijn AK partij als gematigd islamitisch: ‘These descriptions are very ugly, it is offensive and an insult to our religion. There is no moderate or immoderate Islam. Islam is Islam and that’s it’.

Dit doet de vraag rijzen waarom men in het Westen dit onderscheid dan wel maakt. De intenties achter dit onderscheid zijn nobel; bij het onderscheid tussen islam en islamisme kan men kritiek leveren op het islamisme, zonder kritiek te hebben op de islam an sich. Op deze manier wordt vermeden dat een gehele religie bekritiseerd wordt en probeert men te voorkomen dat gematigde moslims, die zich ook aangesproken zien onder de noemer ‘islam’, beledigd raken. Deze nobelheid impliceert echter niet de legitimiteit van het onderscheid.

Het hoofdkenmerk van de politieke islam is de expansiegerichtheid en het (uiteindelijk) ongeldig verklaren van niet-islamitische wetgeving. In Ottomaanse tijden hadden niet-islamitische minderheden nog recht op hun eigen wetgeving, onder het zogeheten millet-systeem. Dit is echter tegenwoordig niet meer van kracht in islamitische staten als Iran en Saoedi Arabië. Het probleem met het onderscheid tussen islam en politieke islam, is dat het suggereert dat de islam zelf de bovengenoemde eigenschappen niet bezit. Nu is de vraag wat ‘de islam’ eigenlijk is, altijd een heikel punt.

Maar als het aan de professionele voorhoede en de schriftgeleerden van de islam ligt, is ‘de islam’ toch min of meer een afspiegeling van zoals profeet Mohammed de religie zelf beleefde en bedoeld heeft. Er kan met recht gesteld worden dat de islam die profeet Mohammed beleed, een intense vorm van politieke islam was. Tijdens zijn leven veroverde Mohammed het Arabische schiereiland, en na zijn dood is er in de naam van Allah en zijn gezant Mohammed, een islamitisch rijk gesticht dat zich uitstrekte van het Iberische schiereiland tot aan Afghanistan. Het is dan ook geen toeval dat de expansiedrang duidelijk doorklinkt in de heilige islamitische rechtsbronnen, de Koran en Hadith. Mohammed was een profeet, maar net als velen in zijn tijd was hij ook een krijgsheer. En hij deed wat krijgsheren doen: veroveren.

De significantie hiervan is dat elk aspect van het leven van Mohammed in de islamitische theologie nastrevenswaardig is, aangezien Mohammed tijdens zijn leven door Allah van zonden werd beschermd. Om deze reden is de expansiedrang inherent aan de islamitische religie.

De islam is net als het christendom een missionaire religie, maar het verschil is dat de islam daarbij ook nog een vrij alomvattende en gedetailleerd wetsysteem kent. Ook is het christendom middels de ‘centrifuge van verlichting’ verworden tot een privégeloof en bezigt slechts een marginale groep zich met een christendom dat volstrekt incompatibel is met de moderniteit. Over de islam kan zo’n stelling simpelweg niet verdedigd worden. Geen enkele politieke stroming in de islamitische wereld kan zich qua organisatiegraad en financiële mogelijkheden meten met ‘islamisten’ en de ongekende populariteit van deze stroming in de nasleep van de Arabische revoluties illustreren dat zij bepaald geen marginale beweging zijn, maar de dominante.

De sharia is het wetssysteem dat volgens de islamitische rechtsbronnen zou moeten gelden voor alle moslims, evenals voor alle ongelovigen nadat zij zich bekeerd hebben. De sharia stelt ook onomwonden dat de gehele wereld aan de islam toebehoort en dat het de heilige plicht van moslims is om dit te bewerkstelligen.

De Organisatie van de Islamitische Conferentie (O.I.C) is de organisatie waarbij alle islamitische landen zijn aangesloten. Het is een islamitisch orgaan, maar bedrijft een niet te miskennen vorm van ‘politieke islam’. Maar als alle islamitische landen deze vorm van islam onderschijven, dan is het toch ‘de islam’?

In 1990 bracht de O.I.C de Cairo-verklaring van de mensenrechten in de islam uit. Het geldt als het islamitische antwoord op de uit 1945 stammende Universele verklaring van de rechten van de mens. Deze verklaring wijkt op essentiële punten af van de Universele verklaring. Zo beperkt artikel 22 de vrijheid van meningsuiting tot meningsuitingen die in overeenstemming zijn met de sharia. Ook sluit artikel 10 de vrijheid van godsdienst uit, het is als moslim verboden uit de islam te treden of zich te bekeren. Ook regelt artikel 6 een fundamentele rechtsongelijkheid van mannen en vrouwen, en artikel 24 en 25 stellen dat alle rechten en vrijheden onderschikt zijn aan de sharia en dat de sharia als enige referentiebron ter uitleg en verduidelijking van de Verklaring mag gelden.

Daarbij zijn er in de islamitische wereld geen gezagdragende instituties die de islam reduceren tot privégeloof, en de expansiedrang achterwege laten. Ook zijn er geen gezagdragende instituties die, mede blijkens de Cairo verklaring, civiele wetgeving bovengeschikt achten aan de heilige islamitische wetgeving. Het westen hoeft niet te bepalen wat ‘de islam’ is, dat doet de islamitische wereld zelf.

In de islamitische traditie wordt de wereld opgedeeld in drie ‘huizen’. Het reeds islamitische deel van de wereld heet de ‘dar al- islam’, het huis van de islam. Het niet- islamitische deel van de wereld staat te boek als ‘dar al- harb’, het huis van de oorlog. De gebieden waar een wapenstilstand van kracht is, heet ‘dar al- suhl’, het huis van verdrag. Sinds het duidelijk werd dat permanente vestiging van moslims in de niet islamitische wereld een feit was, hebben islamitische schriftgeleerden een nieuw ‘huis’ ontwikkeld. Het betreft de ‘dar al- dawa’, ofwel het huis van de zending.

Het huis van de zending is het gebied dat middels islamitische propaganda, zending, religieuze voorlichting en dergelijke geïslamiseerd dient te worden. Sinds de wereld in zijn geheel iets beschaafder is geworden en oorlogsverklaringen tussen landen niet meer aan de orde van de dag zijn, heeft ook het concept van de dar al- harb aan gehoor verloren. Feitelijk gezien heeft de dar al- dawa het concept van de dar al- harb verdrongen, behalve in gewelddadig islamistische kringen.

Wat opvalt aan deze vier huizen, is dat er bij allen een expansiedrang in besloten ligt. Zelfs het huis van verdrag impliceert in de islamitische traditie, middels het verdrag van Hudaibiya, dat de strijd hervat dient te worden zodra het leger weer op krachten is. Er is in de islamitische leer geen toestand die aangeeft dat een streek niet onderworpen hoeft te worden.

Omdat de expansiedrang en de exclusieve rechtsgeldigheid van de sharia voor moslims, een intrinsiek onderdeel zijn van ‘de islam’, is het onderscheid tussen islam en politieke islam niet legitiem.

Een onderscheid is echter wel degelijk nodig, aangezien er veel moslims zijn die een vorm van islam belijden zonder expansiedrang en met oprecht respect voor niet-islamitische wetgeving. Het kan hierbij gaan om de gewone privé beleving van de islamitische religie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de onlangs nog belaagde islamhervormster Irshad Manji. Maar denk ook aan sufi genootschappen als de Barelvi, die hun accent leggen op spiritualiteit en al sinds hun conceptie in 1857 zijn verwikkeld in een strijd tegen het Wahabisme en de Deobandi school die de Taliban belichaamt.

Ongeacht de in essentie agressieve aard van de islam, kunnen moslims toch een islam belijden die verenigbaar is met de moderniteit. Maar dit betekent niet dat ‘de islam’ tolerant en vredelievend is. Dit betekent dat deze vorm van islam tolerant is omdat deze moslims de intolerante delen van hun religie links laten liggen.

Als dat is hoe iemand (mits oprecht) zegt zijn religie te beleven, wie is een ander dan om te zeggen dat hun vorm van islam toch een totalitaire ideologie is? Eigenlijk niemand.

Het onderscheid tussen islam en politieke islam deugt niet, maar er is dus wel degelijk een onderscheid nodig. Wil men de realiteit dekken, dan dient er juist een onderscheid gemaakt te worden tussen islam en niet-politieke islam. Op deze manier is het immers onmogelijk elke vorm van islam weg te zetten als een totalitaire ideologie, omdat het vormen van niet- politieke islam in hun bestaan erkent. Tegelijkertijd eert het onderscheid de realiteit door te bevestigen dat islamisten geen geperverteerde vorm van islam belijden, maar slechts hun islamitische traditie trouw zijn.

Dit wel legitieme onderscheid kent wel een wat ongemakkelijke implicatie. In lijn met dit onderscheid worden islamisten namelijk niet meer als zodanig geduid, maar als moslims. Een schrale troost is dat ‘islamisten’ dit zelf nooit anders gedaan hebben, zij noemen zich moslims en geen islamisten.

De moeilijkheid ligt hem nu in de vraag: hoe noemt men moslims die een islam belijden die oprecht verenigbaar is met de moderniteit, en waar expansiedrang geen deel van uitmaakt? Privé moslims? Niet- politieke moslims? Gereformeerde moslims? Hervormde moslims? Gematigde moslims is een term die reeds te bevuild is, aangezien deze ook is toegepast op Moslimbroeders als Yusuf al- Qaradawi en Tariq Ramadan.

De keuze is als volgt: kiest het Westen er willens en wetens voor een probleem niet bij de juiste naam te noemen, omwille van de eigen gemoedsrust en uit angst voor lastige discussies? Of kiest men voor een terminologie die de realiteit wel dekt door er niet omheen te draaien dat expansiedrang en het uiteindelijk ongeldig verklaren van niet-islamitische wetgeving inherent is aan de islam, maar tegelijkertijd vormen van niet- politieke islam in hun bestaan erkent?

In de nasleep van de Arabische revoluties zal het ware gezicht van ‘de islam’ zich openbaren, en het Westen kan hier maar beter op voorbereid zijn. Het hanteren van een paradigma dat de realiteit wel dekt, zou een goed begin zijn.

‘ 

Bij het onderscheid tussen islam en islamisme kan men kritiek leveren op het islamisme, zonder kritiek te hebben op de islam an sich. Op deze manier wordt vermeden dat een gehele religie bekritiseerd wordt. Deze nobelheid impliceert echter niet de legitimiteit van het onderscheid. Dat betoogt student psychologie en islamologie Timon Dias.

Het doel van het bedrijven van wetenschap is het zo correct mogelijk kunnen duiden van de realiteit. In maatschappelijke context ziet de wetenschap het veelal als taak te zorgen dat gewichtige discussies in de juiste termen en formuleringen worden gevoerd. Dit geldt ook voor het islamdebat dat al ruim een decennium in volle gang is. Het is echter deze wetenschap, met name de islamologie, die het islamdebat vanaf het begin heeft voorzien van een misleidend en simpelweg foutief paradigma. Het betreft hier het onderscheid tussen islam en politieke islam, ook wel islamisme.

In het licht van de islamitische opleving die zich voltrekt in de nasleep van de Arabische revoluties, verdient het aanbeveling dit paradigma kritisch te beschouwen.

Het onderscheid tussen islam en politieke islam is wijd verbreid. In zowel academische als politieke kringen gebruikt men, op de PVV na, de term politieke islam om islamitisch activisme te duiden. De term ‘islamisme’ is echter een westerse vinding. Door ‘isme’ achter islam te zetten geeft men aan dat het bij islamisme om een ideologie gaat, net als nationaal socialisme of communisme.

‘Islamisten’ kennen geen onderscheid tussen islam en islamisme. Zij noemen zichzelf moslim en hun ideologie islam. Dit onderscheid kan zelfs als beledigend worden opgevat. Zo stelde de huidige islamitische premier van Turkije, Recep Tayyip Erdogan in reactie op de westerse beschrijving van zijn AK partij als gematigd islamitisch: ‘These descriptions are very ugly, it is offensive and an insult to our religion. There is no moderate or immoderate Islam. Islam is Islam and that’s it’.

Dit doet de vraag rijzen waarom men in het Westen dit onderscheid dan wel maakt. De intenties achter dit onderscheid zijn nobel; bij het onderscheid tussen islam en islamisme kan men kritiek leveren op het islamisme, zonder kritiek te hebben op de islam an sich. Op deze manier wordt vermeden dat een gehele religie bekritiseerd wordt en probeert men te voorkomen dat gematigde moslims, die zich ook aangesproken zien onder de noemer ‘islam’, beledigd raken. Deze nobelheid impliceert echter niet de legitimiteit van het onderscheid.

Het hoofdkenmerk van de politieke islam is de expansiegerichtheid en het (uiteindelijk) ongeldig verklaren van niet-islamitische wetgeving. In Ottomaanse tijden hadden niet-islamitische minderheden nog recht op hun eigen wetgeving, onder het zogeheten millet-systeem. Dit is echter tegenwoordig niet meer van kracht in islamitische staten als Iran en Saoedi Arabië. Het probleem met het onderscheid tussen islam en politieke islam, is dat het suggereert dat de islam zelf de bovengenoemde eigenschappen niet bezit. Nu is de vraag wat ‘de islam’ eigenlijk is, altijd een heikel punt.

Maar als het aan de professionele voorhoede en de schriftgeleerden van de islam ligt, is ‘de islam’ toch min of meer een afspiegeling van zoals profeet Mohammed de religie zelf beleefde en bedoeld heeft. Er kan met recht gesteld worden dat de islam die profeet Mohammed beleed, een intense vorm van politieke islam was. Tijdens zijn leven veroverde Mohammed het Arabische schiereiland, en na zijn dood is er in de naam van Allah en zijn gezant Mohammed, een islamitisch rijk gesticht dat zich uitstrekte van het Iberische schiereiland tot aan Afghanistan. Het is dan ook geen toeval dat de expansiedrang duidelijk doorklinkt in de heilige islamitische rechtsbronnen, de Koran en Hadith. Mohammed was een profeet, maar net als velen in zijn tijd was hij ook een krijgsheer. En hij deed wat krijgsheren doen: veroveren.

De significantie hiervan is dat elk aspect van het leven van Mohammed in de islamitische theologie nastrevenswaardig is, aangezien Mohammed tijdens zijn leven door Allah van zonden werd beschermd. Om deze reden is de expansiedrang inherent aan de islamitische religie.

De islam is net als het christendom een missionaire religie, maar het verschil is dat de islam daarbij ook nog een vrij alomvattende en gedetailleerd wetsysteem kent. Ook is het christendom middels de ‘centrifuge van verlichting’ verworden tot een privégeloof en bezigt slechts een marginale groep zich met een christendom dat volstrekt incompatibel is met de moderniteit. Over de islam kan zo’n stelling simpelweg niet verdedigd worden. Geen enkele politieke stroming in de islamitische wereld kan zich qua organisatiegraad en financiële mogelijkheden meten met ‘islamisten’ en de ongekende populariteit van deze stroming in de nasleep van de Arabische revoluties illustreren dat zij bepaald geen marginale beweging zijn, maar de dominante.

De sharia is het wetssysteem dat volgens de islamitische rechtsbronnen zou moeten gelden voor alle moslims, evenals voor alle ongelovigen nadat zij zich bekeerd hebben. De sharia stelt ook onomwonden dat de gehele wereld aan de islam toebehoort en dat het de heilige plicht van moslims is om dit te bewerkstelligen.

De Organisatie van de Islamitische Conferentie (O.I.C) is de organisatie waarbij alle islamitische landen zijn aangesloten. Het is een islamitisch orgaan, maar bedrijft een niet te miskennen vorm van ‘politieke islam’. Maar als alle islamitische landen deze vorm van islam onderschijven, dan is het toch ‘de islam’?

In 1990 bracht de O.I.C de Cairo-verklaring van de mensenrechten in de islam uit. Het geldt als het islamitische antwoord op de uit 1945 stammende Universele verklaring van de rechten van de mens. Deze verklaring wijkt op essentiële punten af van de Universele verklaring. Zo beperkt artikel 22 de vrijheid van meningsuiting tot meningsuitingen die in overeenstemming zijn met de sharia. Ook sluit artikel 10 de vrijheid van godsdienst uit, het is als moslim verboden uit de islam te treden of zich te bekeren. Ook regelt artikel 6 een fundamentele rechtsongelijkheid van mannen en vrouwen, en artikel 24 en 25 stellen dat alle rechten en vrijheden onderschikt zijn aan de sharia en dat de sharia als enige referentiebron ter uitleg en verduidelijking van de Verklaring mag gelden.

Daarbij zijn er in de islamitische wereld geen gezagdragende instituties die de islam reduceren tot privégeloof, en de expansiedrang achterwege laten. Ook zijn er geen gezagdragende instituties die, mede blijkens de Cairo verklaring, civiele wetgeving bovengeschikt achten aan de heilige islamitische wetgeving. Het westen hoeft niet te bepalen wat ‘de islam’ is, dat doet de islamitische wereld zelf.

In de islamitische traditie wordt de wereld opgedeeld in drie ‘huizen’. Het reeds islamitische deel van de wereld heet de ‘dar al- islam’, het huis van de islam. Het niet- islamitische deel van de wereld staat te boek als ‘dar al- harb’, het huis van de oorlog. De gebieden waar een wapenstilstand van kracht is, heet ‘dar al- suhl’, het huis van verdrag. Sinds het duidelijk werd dat permanente vestiging van moslims in de niet islamitische wereld een feit was, hebben islamitische schriftgeleerden een nieuw ‘huis’ ontwikkeld. Het betreft de ‘dar al- dawa’, ofwel het huis van de zending.

Het huis van de zending is het gebied dat middels islamitische propaganda, zending, religieuze voorlichting en dergelijke geïslamiseerd dient te worden. Sinds de wereld in zijn geheel iets beschaafder is geworden en oorlogsverklaringen tussen landen niet meer aan de orde van de dag zijn, heeft ook het concept van de dar al- harb aan gehoor verloren. Feitelijk gezien heeft de dar al- dawa het concept van de dar al- harb verdrongen, behalve in gewelddadig islamistische kringen.

Wat opvalt aan deze vier huizen, is dat er bij allen een expansiedrang in besloten ligt. Zelfs het huis van verdrag impliceert in de islamitische traditie, middels het verdrag van Hudaibiya, dat de strijd hervat dient te worden zodra het leger weer op krachten is. Er is in de islamitische leer geen toestand die aangeeft dat een streek niet onderworpen hoeft te worden.

Omdat de expansiedrang en de exclusieve rechtsgeldigheid van de sharia voor moslims, een intrinsiek onderdeel zijn van ‘de islam’, is het onderscheid tussen islam en politieke islam niet legitiem.

Een onderscheid is echter wel degelijk nodig, aangezien er veel moslims zijn die een vorm van islam belijden zonder expansiedrang en met oprecht respect voor niet-islamitische wetgeving. Het kan hierbij gaan om de gewone privé beleving van de islamitische religie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de onlangs nog belaagde islamhervormster Irshad Manji. Maar denk ook aan sufi genootschappen als de Barelvi, die hun accent leggen op spiritualiteit en al sinds hun conceptie in 1857 zijn verwikkeld in een strijd tegen het Wahabisme en de Deobandi school die de Taliban belichaamt.

Ongeacht de in essentie agressieve aard van de islam, kunnen moslims toch een islam belijden die verenigbaar is met de moderniteit. Maar dit betekent niet dat ‘de islam’ tolerant en vredelievend is. Dit betekent dat deze vorm van islam tolerant is omdat deze moslims de intolerante delen van hun religie links laten liggen.

Als dat is hoe iemand (mits oprecht) zegt zijn religie te beleven, wie is een ander dan om te zeggen dat hun vorm van islam toch een totalitaire ideologie is? Eigenlijk niemand.

Het onderscheid tussen islam en politieke islam deugt niet, maar er is dus wel degelijk een onderscheid nodig. Wil men de realiteit dekken, dan dient er juist een onderscheid gemaakt te worden tussen islam en niet-politieke islam. Op deze manier is het immers onmogelijk elke vorm van islam weg te zetten als een totalitaire ideologie, omdat het vormen van niet- politieke islam in hun bestaan erkent. Tegelijkertijd eert het onderscheid de realiteit door te bevestigen dat islamisten geen geperverteerde vorm van islam belijden, maar slechts hun islamitische traditie trouw zijn.

Dit wel legitieme onderscheid kent wel een wat ongemakkelijke implicatie. In lijn met dit onderscheid worden islamisten namelijk niet meer als zodanig geduid, maar als moslims. Een schrale troost is dat ‘islamisten’ dit zelf nooit anders gedaan hebben, zij noemen zich moslims en geen islamisten.

De moeilijkheid ligt hem nu in de vraag: hoe noemt men moslims die een islam belijden die oprecht verenigbaar is met de moderniteit, en waar expansiedrang geen deel van uitmaakt? Privé moslims? Niet- politieke moslims? Gereformeerde moslims? Hervormde moslims? Gematigde moslims is een term die reeds te bevuild is, aangezien deze ook is toegepast op Moslimbroeders als Yusuf al- Qaradawi en Tariq Ramadan.

De keuze is als volgt: kiest het Westen er willens en wetens voor een probleem niet bij de juiste naam te noemen, omwille van de eigen gemoedsrust en uit angst voor lastige discussies? Of kiest men voor een terminologie die de realiteit wel dekt door er niet omheen te draaien dat expansiedrang en het uiteindelijk ongeldig verklaren van niet-islamitische wetgeving inherent is aan de islam, maar tegelijkertijd vormen van niet- politieke islam in hun bestaan erkent?

In de nasleep van de Arabische revoluties zal het ware gezicht van ‘de islam’ zich openbaren, en het Westen kan hier maar beter op voorbereid zijn. Het hanteren van een paradigma dat de realiteit wel dekt, zou een goed begin zijn.’

Timon Dias is student psychologie en islamologie aan de Universiteit Leiden.

http://www.politiek.net/iskander/36540

Gecategoriseerd in:Immigratie en asiel, Islamisme

1 Reactie

  1. Er bestaat geen beleving van de Islam die niet-politiek zou zijn. Evenmin als er een a-politiek christendom bestaat. Godsdienst is politiek! “Gematigde” moslims zijn alleen “slapende” fanatieke moslims, die alleen maar op het ogenblik wachten waarop ze gewekt zullen worden. De moeilijkheid lijkt mij echter dieper te gaan dan de Heer Dias aangeeft: ook het “Christendom” heeft een waar gezicht, en het atheisme ook, en ga zo maar door. Inderdaad zou het hanteren van een paradigme dat de realiteit van de MENS dekt, een goed, een zeer goed begin zijn.

%d bloggers liken dit: