Polariserend en schaamteloos wij/zij

Boek: ‘Congo, een geschiedenis’ door Van Reybrouck

Vorig jaar publiceerde David Van Reybrouck zijn lijvig boek, 680 pagina’s, over de geschiedenis van Congo.  Het boek kreeg meteen diverse literaire prijzen, lofbetuigingen van mensen als Verhofstadt en lovende besprekingen in onze roodgroene kranten: reden te over dus voor een rechtse rakker om het boek met scepsis ter hand te nemen.  Maar afgezien van een paar vreemde politiek-correcte tegenstrijdigheden  leest het boek als een trein – en bevestigt het een paar inzichten die je moeilijk ‘links’ kan noemen.


Maar laat ons eerst iets zeggen over de schrijfstijl.  680 pagina’s, je moet het maar doen, en dat op een manier die blijft boeien.  Het is zo’n boek waarvan je uiteraard weet hoe het afloopt, maar dat je toch met verwondering verder leest om te weten hoe het verhaal zich verder ontvouwt.  De auteur wisselt gedetailleerde ontmoetingen met mensen ter plaatse af met heel veel grondige documentatie en historische feiten;  een bijzonder aangename leeservaring.

In de periode Congo-Vrijstaat van Leopold bedroeg het aantal blanken in Congo, in een reusachtig gebied, nooit meer dan 3000.  Die blanken beëindigden wel degelijk een barbarij die voor ons onvoorstelbaar is: zo wordt beschreven hoe nieuwe bezoekers aan een streek het aanbod kregen om naast een paar honden en geiten ook een paar slaven te slachten voor het feestmaal…   In die tijd werden ook de ‘Arabische veldtochten’ gehouden, die de zwarten bevrijdden van de wrede Arabische slavenhandel.  Van Reybrouck nuanceert de berichten over een ‘genocide’ onder Leopold:  dat de rubberpolitiek roofzuchtig was is een feit, maar het overgrote deel der slachtoffers viel volgens deze auteur door ziektes.

Soms is het boek intrigerend door zijn dubbelzinnigheid.  Zo kijkt Van Reybrouck aanvankelijk minachtend neer op de etnografen, en poneert hij zowaar dat het enorme verschil tussen de stammen en etnische groepen in Congo en Rwanda ‘artificieel’ is.  Versta: de blanken hebben die verschillen uitgevonden.  Maar hij is daarna wel eerlijk in het weergeven van feiten: zo zal hij correct aanstippen dat zwarte arbeiders hun eigen gezondheidszorg organiseren ‘volgens etnische lijnen’ en zal hij ook verder bij alle conflicten aangeven hoezeer clan- en stamverbanden absoluut bepalend zijn voor de politieke allianties.  Wat dan ook blijft hangen is net het tegenovergestelde van wat Van Reybrouck aanvankelijk poneert: dat de staatsgrenzen in en rond Congo volkomen artificieel zijn, en dat het gebied niet te begrijpen (of te besturen) is zonder ‘naties’ te creëren, waarbij die grenzen worden aangepast aan de etnische realiteit.

Het boek is ook nuttig omdat het een aantal feiten aanhaalt die vandaag minder bekend zijn.  Dat de weg naar de onafhankelijkheid begon met het neerslaan van een zwarte opstand die zowat 47 doden maakte.  Maar ook dat al in 1964 linksgezinde Simba-krijgers in Stanleyville  liefst 2500 mensen afmaakten…  De auteur geeft maar weinig details over die anti-blanke moordpartij en de Belgisch-Amerikaanse reddingsoperatie, je kan er hier meer over lezen.

Dichter naar de actualiteit is Van Reybrouck keihard voor de miljardenstromen aan ontwikkelingshulp.  Hij schrijft scherp wat Mobutu daarover denkt: ‘  Hoe behoeftiger zijn land was, hoe meer hij kon ophalen.  Armoede loonde.  Het was een economische troef.’  Zo bevestigt hij wat de voorbije jaren al door diverse andere auteurs werd geschreven: de ontwikkelingshulpgeldstroom verhelpt de problemen niet, maar verergert ze door corrupte onbekwamen langer in het zadel te houden.

Van Reybrouck’s beschrijving van de wreedheid tijdens de huidige oorlog in Oost-Congo zorgt ervoor dat het boek weinig optimisme laat voor de toekomst.  De grondstoffen zorgen ervoor dat elke krijgsheer voldoende inkomsten heeft om een legertje op de been te houden, de  regering van Congo heeft in grote gebieden niets te zeggen.  Van Reybrouck tracht het beeld te vergulden door een beeld te geven van enkele inderdaad ijverige Congolezen die wel in het leven vooruit willen, maar die doen dat dan wel…  in China.   Het beeld dat bijblijft is dat van een land met mogelijkheden, dat helaas door de afwezigheid van enige notie van ‘algemeen belang’ bij de plaatselijke bestuurders verder blijft ploeteren in miserie.

Geen boek dus om vrolijk van te worden, maar wel een absolute aanrader voor wie meer wil weten over de bewogen geschiedenis van ‘onze’ oudkolonie.

Getagd als: , ,

Gecategoriseerd in:Afrika, Boeken

%d bloggers liken dit: